Hij traint hard, heel hard zelfs; Mitch Kolkman wil zich tijdens het aankomende Olympische kwalificatietraject niet alleen kwalificeren voor de Olympische Spelen in LA 2028, hij wil het liefst ook een Olympische medaille. En dus wordt er, weer of geen weer, alles aan gedaan om in topvorm te zijn. “Een Olympische medaille willen, daar horen consequenties bij.”

De bekerkast in huize Kolkman moet binnenkort waarschijnlijk sowieso vergroot worden, want de podiumplaatsen van de Nederlandse topatleet op nationaal en internationaal niveau zijn niet meer op één hand te tellen. Op twee overigens ook niet. Naast dat Kolkman een sterke zwemmer is en steeds sterker wordt op de fiets, liep hij recent tijdens een OD rond de dertig minuten op de afsluitende tien kilometer: een prestatie die schuurt tegen de absolute wereldklasse.

Kolkman vertelt in rap tempo hoe het allemaal begon. “Het sporten kreeg ik er met de spreekwoordelijk paplepel ingegoten. Mijn moeder deed aan wedstrijdzwemmen en mijn vader zat op korfbal. Zelf ben ik op mijn vierde gaan voetballen, dat ik een paar jaar later ben gaan combineren met wedstrijdzwemmen. Bij beide sporten kwam ik erachter dat ik een goed uithoudingsvermogen heb. Op voetbalgebied speelde ik op een steeds hoger niveau, maar dat betekende ook dat ik niet meer altijd mee kon spelen; toen verdween de lol wel een beetje. ‘Alleen’ zwemmen vond ik saai en toen ben ik verder gaan kijken. Mijn vader fietste al en zo kwam ik bij de triathlonsport terecht.”

Van Alkmaar naar Sittard

Dankzij zijn moeder werd Kolkman aangemeld bij een talentendag en toen ging het snel. “Het begon met één training per week: dat werden er twee, toen drie en toen vijf”, vertelt hij. “Na de COVID-periode kwam, vanuit Sittard, de vraag of ik wilde trainen bij het NTC. Aanvankelijk was dat een week per maand, maar ook dat werd snel meer. Ik was achttien, wilde op mezelf gaan wonen en vol voor de sport gaan. Ik heb daar vijf mooie jaren getraind en me als junior ontwikkeld. Achteraf gezien denk ik dat ik dat niet ergens anders had kunnen doen op die leeftijd, met die begeleiding en met die jongens die daar waren en die me beter maakten. Het complex met eigen studio was geweldig en ook gezellig om vaak samen met mijn maatjes te eten.”

En was er sprake van onderlinge concurrentie? “Zo heb ik het nooit ervaren, maar je moet altijd het uiterste uit elkaar halen en daar komt automatisch concurrentie bij kijken. Als je daar gevoelig voor bent, dan is zo’n trainingsgroep niks voor jou.”

Grote broer

Tot de Olympische Spelen van Parijs trainde Kolkman onder leiding van Jelmer van Waveren en daar kijkt hij met genoegen op terug. “Met Jelmer had ik een goede connectie; hij was erg professioneel en ik zag hem als een grote broer. Nu train ik onder Glenn Poleunis en hij is misschien nog een stukje professioneler. Hij ziet me dagelijks trainen en ik heb echt een volgende stap gemaakt. Hier in Girona is het klimaat heerlijk, heb ik nog betere begeleiding en nog betere atleten om me heen die op een hoger niveau zitten: in alle opzichten is dat een stap vooruit. In mei begint de Olympische kwalificatieperiode en ik ben op het juiste moment overgestapt om het volledige Olympische traject in te gaan. Einddoel: LA 2028.”

Open sollicitatie

Op de vraag hoe je eigenlijk de juiste coach zoekt en vindt, vertelt Kolkman dat het vaak juist andersom werkt. “Je solliciteert als atleet bij een bepaalde coach. In mijn geval was Glenn

geïnteresseerd en wilde heel graag met mij werken. Er was direct een goede klik. Ik kende ook al veel jongens in zijn trainingsgroep (PTC) en dat beviel me eigenlijk heel goed.” Vorig jaar sloot bijvoorbeeld Youri Keulen ook al aan bij PTC.

Kwalificatie

Hoe Kolkman zich precies gaat kwalificeren voor de Spelen van LA is nog lastig te zeggen. “Het is de vraag of we ons überhaupt nog individueel kunnen kwalificeren, of dat dat via de Mixed Team Relay moet gaan. Een deel van de focus ligt sowieso op de Relay. Uiteindelijk vind ik het gewoon heel belangrijk dat er een team staat en dat we met z’n allen met een goed gevoel naar een wedstrijd gaan. Dan komen die individuele prestaties ook vanzelf.”